Wees Funki en je komt nog eens ergens! Zo kwam ik over de vloer bij Anton Goudsmit en ondervroeg de jazzgitarist over zijn werk met New Cool Collective, Fugimundi, Estafest en The Ploctones. Een lang en uitgebreid gesprek over optreden, grooven, improviseren en het wedden op meerdere paarden.
Goudsmit is vriendelijk, rustig, en wacht ons, fotografe Jorinde Reijnierse en ik, op bovenaan het trappenhuis van zijn appartement in Amsterdam. Enkele seconden later sta ik in de woonkamer van de beste jazzgitarist van Nederland. Een zwarte piano wordt overstelpt door jazz-cd's, die ook het grootste gedeelte van de boekenkast over hebben genomen. In de hoek twee akoestische gitaren, met daar tegenover een elektrische Gretsch gitaar; vol krassen en afgebladderde verf, maar wel het instrument waardoor Nederland aan zijn voeten ligt. We gaan gedrieën zitten aan de keukentafel, waarna Anton thee en koffie begint in te schenken, maar al lang is begonnen met praten.
Amateur
AG: ‘Het is voor mij universeel belangrijk dat je wel van alles kan. Wanneer ben je professioneel gitarist? Ik zeg altijd dat ik liever amateur blijf. Dan speel je meer, en langer; met wat meer plezier. Je blijft dan je hele leven enthousiast. Voor je het weet zit je ’s avonds in de hoek je aandelen te bekijken. Het heeft een negatieve bijklank, maar ik vind het best wel een mooi woord. Toen ik op het conservatorium zat en in de band van [trompettist] Eric Vloeimans speelde, wist ik pas echt dat ik gitarist wilde worden. We werden heel snel opgepikt en speelden het hele jaar door. Je had toen nog heel erg veel jazzclubs in Nederland. Je kon overal spelen, je werd goed ontvangen en goed betaald.’
De laatste winnaar van de Boy Edgar Prijs voor improvisatie dus als amateur. Altijd geweest, en altijd gebleven.
AG: 'Ik wilde echt een gitaar hebben als jongen van twaalf. Dat moest. De beroepskeuze om gitarist te worden kwam echter pas toen ik op de universiteit rechten studeerde, en dat ontzettend saai vond. Ik experimenteerde met hallucinogenen en was al de hele dag bezig met gitaar spelen; in de badkamer, om maar vreemde klanken eruit te kunnen halen. Dat was dan de beroepskeuze, maar het moment dat ik echt door de maatschappij werd gezien als gitarist, was tijdens de eerste tour met het Eric Vloeimans Kwartet. We zijn daar vijf jaar mee doorgegaan, en na verloop van tijd kwam ook het New Cool Collective. Ik was dan ook continu bezig met het voorbereiden en leren van nieuwe stukken. Op het moment dat je er al je tijd aan besteed om te leren, dan ben je al echt een muzikant. Ik viel toen bij Vloeimans met mijn neus in de boter, en ik werd er direct door meegenomen, omdat ik een andere manier van spelen had dan de meeste mensen.’
Had je het gevoel toen je bij Vloeimans kwam, dat hij al verder was dan jij? AG: ‘Nee, hij belde gewoon op: “Met Eric Vloeimans,” een gewone Hollandse naam. Maar ik kwam er wel vrij snel achter.'
Eric Vloeimans – Trompet; Harmen Fraanje – Pianist; Anton Goudsmit - Gitaar
Optreden
Zou je optreden zien als de ideale manier van leven? AG: ‘Het is noodzakelijk. Ik speel heel veel, en met mensen die ik goed vind, dus ik vind het heel erg leuk. Alle professionele muzikanten in Nederland hebben elke dag wel een belangrijk optreden. Met de Ploctones hebben we vorig jaar 80 keer gespeeld en het wordt steeds beter, al heb je dat zelf helaas niet door. Het gaat heel langzaam, net zoals met groeien.’ Zou je Ploctones vanwege je hoe minder zielen hoe meer vreugd als je ideale band zien? AG: ‘Voor mij is het het leukste om te doen, omdat het eigenlijk alleen maar muziekspelen is. Enorm bevredigend is het, wanneer je daarmee bezig bent. New Cool vind ik op een andere manier weer het leukste, het is net rock ’n roll, we hebben zo veel meegemaakt en we zijn al 18 jaar samen. Het is een ontzettend geoliede machine geworden; we zijn heel flexibel. Met Vloeimans vind ik het weer erg gaaf om heel erg in zijn stijl te kruipen en heel intuïtief te spelen. Daar heb ik dan ook weer zin in. Als ik met de ene band een tijdje heb gespeeld, krijg ik weer zin in de andere. Daarom zeg ik ook heel vaak tegen mensen die advies vragen: Mik niet op een paard, mik altijd op meerdere paarden, want dan heb je gewoon veel meer lol.’
Hoe ligt het reizen jou? AG: ‘We moeten al vroeg aanwezig zijn om te soundchecken. Dan ga ik voor 3 uur van huis en hoef ik pas om 10 uur te spelen. Maar ik vind het leuk. Ik wil het zo lang mogelijk blijven doen. Het is een cadeautje. Met de Ploctones hebben we nu ook in het buitenland veel gespeeld. En dan wil ik ook wel wat anders doen, net zoals de anderen, maar we krijgen nu wel veel optredens. India, Brazilië, VS. We worden wel gewaardeerd in het internationale netwerk. Mijn naam valt door die prijs wel vaker; dat is echt te gek. Met het Benjamin Herman kwartet zijn we in Amerika geweest, en hebben we ook een paar recensenten geraakt. We staan daar in Downbeat in de top 10 van beste albums.’
Wordt er anders tegen Boy Edgar Prijs winnaars aangekeken? AG: ‘Je krijgt makkelijker optredens. Met NCC is het nu wat rustiger, maar we zijn ook wat duurder. En ik ken ook geen mensen die er last van hebben. Ik hoor wel veel geklaag. Ik merk nog niets van de aangekondigde BTW verhoging. Maar het zou wel heel erg zijn. Toen ik begon met optreden waren er zo’n 200 jazzclubs in NL, en als je op een bepaalde lijst stond, dan kon je je gage aan laten vullen, dus al die podia vonden het te gek om bandjes te hebben. Paar kernpodia, zoals Bimhuis, Provadja doen het nog goed, maar velen bestaan niet meer.’
Goudsmit neemt een slok van zijn koffie en steekt een sigaret op, maar niet voordat hij het einde eraf heeft gebroken. 'Dan rook ik minder,' beantwoordt hij mijn vragende blik. Na een paar heisen gaat hij even enthousiast weer verder:
AG: 'Voor een luisterend publiek spelen is geweldig. Je kan ook met stilte spelen. De actie is gevoelsmatig. Een zesde zintuig. Dat de mensen constant denken: wat gaat er nu gebeuren? Dat kan als je elkaar als muzikanten aanvoelt. Reageren op elkaar. Soms weet je gewoon precies waar de ander heen gaat. Met de Ploctones doe ik soms wat en spelen we opeens met zijn drieën hetzelfde melodietje. Je hebt waanzinnige ideeën en je gaat met elkaar werken. Je gaat ervoor en stopt er alles in. En uiteindelijk is het af. Als alles er dan uitkomt live, dan is dat fantastisch. Opnemen in de studio vind ik ook heel leuk. Maar de spannendste concerten zijn niet diegenen die worden opgenomen, zelfs al gebeurt het stiekem.’
Estafest: Jeroen van Vliet – Piano; Oene van Geel – Altviool; Mete Erker – Tenorsax; Anton Goudsmit – Gitaar
Improvisatie
Dan staat hij plotseling op en vertelt al lopende naar de stereo-installatie dat hij net een cd heeft opgenomen met zijn nieuwe band, Estafest. De cd-presentatie is op 13 mei in Den Bosch, maar een voorlopige mix klinkt er uit de boxen. Kamermuziek-achtig, beschrijft Goudsmit de muziek zonder drum of bas: 'Het is puur improvisatie.’
Heb je moeite om dan het ritme te behouden? AG: ‘Nee, helemaal niet. Maar dat komt omdat de muzikanten ook allemaal heel erg goed zijn. We musiceren op het scherpst van de snede. We hebben dan wel thematisch materiaal, maar je moet heel erg open zijn.’ En dan, plotseling: ‘Als je geen ritmegevoel hebt, dan heb je wel een probleem natuurlijk.’
Improvisatie is iets wat vele muzikanten moeilijk vinden en het is voor veel mensen een ongrijpbaar fenomeen. AG: 'Je hebt eigenlijk twee soorten: je kunt met elkaar als groep improviseren, of je kunt het doen als solist over een akkoordenschema. Dat laatste vind ik eigenlijk niet echt improviseren, omdat je toch werkt binnen een kader, binnen een formule. En daar kun je dan je idioom op kwijt.’ De gitarist zou het overigens ook niet slecht doen op een luchtgitaar-wedstrijd. Continu worden improvisatieloopjes denkbeeldig gespeeld, op allerlei instrumenten. AG: ‘Het is makkelijker om te soleren op een groove, dan collectieve improvisatie. Maar het fascineert me wel. Een blokje van 4 maten, en iedereen improviseert erop. Allemaal hetzelfde stukje, en toch allemaal anders. Hun eigen stijl zoeken. Dan spelen ze in Sao Paolo, New York en hier in Amsterdam hetzelfde nummer, maar allemaal bezig met dat hele kleine stukje vrijheid. Daar is dan iets te vinden, denk ik. Daar is iets te halen. Anders zou niet iedereen ermee bezig zijn. Ik ben altijd meteen voor de instrumentale muziek gegaan. Ik heb nooit naar de tekst geluisterd. Veel muzikanten hebben hetzelfde. Ik ging voor de groove.'
Groove
Als ik de gitarist vraag naar de samenwerking van New Cool Collective met rapper Typhoon, schakelt hij moeiteloos over. Waarschijnlijk, omdat hij de verschillende bands en projecten niet geheel los van elkaar ziet. AG: ‘Met Typhoon gaat het ook over grooven, en eigenlijk nog meer. We hebben met New Cool Collective al zo’n band, ook met [drummer] Joost Kroon; je kunt eigenlijk niet beter vinden. Maar het zijn toch jongens die net niet in de Ploctones passen, omdat ik daar meer werk met afwijkende maatsoorten. Het is wel echt mijn favoriete groep, omdat het ook allemaal mijn muziek is, en iedereen zich zo goed inzet. De net opgenomen plaat wordt gemixt door een geweldige geluidstechnicus, die niet alleen aandacht heeft voor klanken, maar ook voor de muziek en het daarin doorklinken van de groove.’
New Cool Collective: Benjamin Herman – Saxofoon; Anton Goudsmit – Gitaar; Joost Kroon – Drums; Willem Friede – Keyboards; Frank van Dok – Percussie; Jos de Haas – Percussie; Leslie Lopez – Bas; David Rockefeller - Trompet; Typhoon - Rap; Rico - Rap
Componeren
AG: ‘Ik vind het belangrijkste van een componist dat hij de klankbeelden in zijn hoofd heeft. Dat je een thematisch motief uitzet en dat je dat doorwerkt. Dat wat je in je hoofd hoort, dat je dat zonder intermedium; zonder instrument, zou kunnen opschrijven. Dan ben je echt een componist volgens mij. Maar dan ken ik er eigenlijk geen een, behalve die oude gasten. Die zijn er dag en nacht mee bezig en zo ervaren met het vertalen van hun denkbeelden in muziek. Als ik een idee heb, werk ik het eerst uit in mijn hoofd. Daarna ga ik het invoeren en maak ik het eigenlijk af. Het maakt het toch anders. Maar ik ben geen componist, dat zou ik nooit durven zeggen.’
Is het zoeken naar een fout? Een oneffenheid? AG: ‘Nou, het moet wel apart zijn. Dat vind ik wel heel belangrijk. Maar soms maak je ook gewoon een melodie. Dan zit ik te spelen en gaat de telefoon en dan speel ik nog wat terwijl ik erheen loop, en dat kan dan zomaar de melodie zijn. Maar ik heb vaker een idee; twee akkoorden die mooi bij elkaar klinken. Dan denk ik: dat is wel een mooi uitgangspunt, daar ga ik dan verder op bouwen. Ik heb nu ook Sibelius, een componeer en arrangeerprogramma voor op de computer, en dan kan ik een simpel thema invoeren, gewoon wat noten, en dan op een knop drukken. Maak er maar wat van.’
Jazz
Een blik op de recorder leert dat het einde van het gesprek in aantocht is, al is er bij de gitarist nog niets van te merken: AG: 'Ik improviseer heel veel, en dat heb ik altijd gedaan. Daardoor kwam ik bij de jazz terecht; door muziek van helden als Charlie Parker en Miles Davis. Ik zat de hele tijd mee te pielen, ook al snapte ik er nog niets van. In principe speel je altijd boven je niveau als je met jazz bezig bent. Je speelt dingen, die je eigenlijk nog helemaal niet kunt, en dat is het leuke eraan.’ Dus je leert nog altijd? AG: ‘Ja, natuurlijk. Op het moment dat je uitgeleerd bent, is er geen reet aan.’